Veel ex-gedetineerden vervallen binnen enkele jaren na het uitzitten van hun straf opnieuw in crimineel gedrag. Het ministerie van Justitie is daarom in 2002 gestart met het programma Terugdringen Recidive. Dit programma richt zich op volwassenen die na een verblijf in een penitentiaire inrichting terugkeren in de samenleving. De SVG is een van de uitvoerders van het programma.
De samenwerkingspartners van het programma Terugdringen Recidive zijn:
De programmapartners maken afspraken met gemeenten over hoe ex-gedetineerden na hun straf gebruik kunnen maken van maatschappelijke vervolgvoorzieningen. Deze afspraken worden vastgelegd in convenanten van het Grote Steden Beleid.
Essentieel is dat justitie, reclassering, gemeenten en zorginstellingen intensief samenwerken in de begeleiding en nazorg, tijdens en na de detentie. Belangrijk is om per individu de risicofactoren te diagnosticeren. Op basis daarvan kunnen gerichte gedragsinterventies plaatsvinden. Het justitiële deel van het re-integratietraject moet vervolgens goed aansluiten bij de maatschappelijke vervolgvoorzieningen.
In het programma Terugdringen Recidive zijn afspraken gemaakt tussen beide partners: wie doet wat en op welk moment? Hoe stemmen beide partijen hun werkzaamheden op elkaar af? Het samenwerkingsmodel is getest in een drietal pilots. De resultaten uit de pilots zijn verwerkt in het Draaiboek Terugdringen Recidive (TR) 2005. In een latere fase zijn hier nog twee pilots aan toegevoegd. Op basis van een audit door TNO en de ervaringen van de pilots is versie 3.01 van het Draaiboek Samenwerking tot stand gekomen. Het 'Draaiboek Samenwerking' bevat alle randvoorwaarden en instructies die nodig zijn om het programma Terugdringen Recidive in de gevangenis goed uit te kunnen voeren.
De verslavingsreclassering heeft kennis van verslaving en beschikt over de vaardigheden om met verslaafden om te gaan. Bovendien kent ze de werkwijze van justitie, politie en gevangeniswezen. De verslavingsreclassering gebruikt deze kennis en expertise onder meer bij: